de tuinman en de Dood

 (de Haagsche versie)

een mens wil leven, zeker hier
in deze wonderschone stad
weldadig als een bruisend bad
een oord van diepgang en vertier

de levenslust van mens en dier
vond in Den Haag zijn habitat
de zon streek alle plooien glad
van Duinoord tot aan Laakkwartier

de tuinman (hij uit Ispahaan)
passeerde mij met gulle lach
vergeten was die zwarte dag
toen, spoorslags, hij te paard moest gaan

toen ik, met zeis, mijn slag wou slaan
bevroor mijn hand (een hard gelag)
uit deernis door zijn zelfbeklag
ik waande mij Samaritaan

de tuinman bofte, hij ontkwam
die dag was ik een Robin Hood
hij houdt zijn sterven nog te goed
de dood is wel mijn boterham

Den Haag en in memoriam
zij staan op zeer gespannen voet
omdat de Dood ook leven moet
verblijft hij vaak in Amsterdam

terug naar de inhoudsopgave

Erg vrij naar het beroemde gedicht:

De tuinman en de dood

Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: "Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!" -

Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.

"Waarom," zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
"Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?"

Glimlachend antwoordt hij: "Geen dreiging was 't,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan."

P.N. van Eyck