de moedermaffia

ze is in hoogmoed niet te evenaren
en ziet hem slechts als donor van het zaad
terwijl de stakker zonder eigenbaat
de vrouw de schone vreugd gunt van het baren

de filantroop, onmisbaar bij het paren
weet na zijn offer al ‘het is te laat’
voor hem de zondeval in het kwadraat
de zeven plagen, weemoed en de blaren

en na het kranig knippen van de streng
(jawel mevrouw, hij is niet te benijden)
ontpopt zijn schat zich tot het ware kreng

haar borsten zijn voor ‘rupsje nooit genoeg’
en hem –oh goede god heb medelijden-
hem wachten koude flessen in de kroeg

 

moraal:
een sonnet met wijze lessen
vaders laat u nimmer flessen

terug naar de inhoudsopgave