mager

wat moeten toch de vlinders in gedichten
ze fladderen als goede feeŽn rond
een huichelachtig lachje rond de mond
die zweverige, valse lichtgewichten

ze mijden laf depressies en het front
en weten van geen zorgen, van geen plichten
je kunt ze nooit van arbeidsdrang betichten
ze existeren slechts als vagebond

wellicht is er een zweem van jaloezie
omdat ik veel te zwaar ben om te zweven
mij slechts ontpopt heb tot een mopperkont

de ponden binden mij aan slappe grond
toch vind ik troost in dit verlicht gegeven:
hoe mager is mijn zwaarste poŽzie

terug naar de inhoudsopgave