terug naar de inhoudsopgave

de jeugd van tegenwoordig

ik wou m’n zoon een prachtig shirtje geven
in Omo-bonte kleuren geel en groen
want godzijdank werd ADO kampioen
ik klom de kist uit en begon te leven

hij mocht van mij een tram of bus gaan slopen
een tatoeage van een ooievaar
een matje in zijn nek was geen bezwaar
ik wou een pakhuis vuurwerk voor hem kopen

hij mocht een ring in allebei z’n oren
of lekker stoeien met suppoosten en ME
en schelden op de scheids, ‘k zat nergens mee
hij mocht ‘de overkant’ de grond in boren

maar hij wou niets, alleen maar vroeg naar bed
hij moest denken aan z’n school en het ballet