een droevig lot

een laagje schijn bedekt de ware aard
het broze vlies van scholing en manieren
waar onderhuids verlangens welig tieren
toont hij zich vaak zo keurig en bedaard

het zijn de schimmen die zijn lijf bewonen
alleen hun klauwen draaien aan het roer
lak aan de duivel en z’n malle moer
een man is weerloos slaaf van zijn hormonen

hij zoekt de prooi als in vervlogen jaren
al draagt hij nu een maatpak en een das
de man is toch gebleven wat hij was:
een jagend beest… en altijd moet hij paren


terug naar de inhoudsopgave